Nieuw Zonnehuis in Stadshagen       

Nieuw Zonnehuis in Stadshagen -


Architect Thomas Rau aan het woord


Nog voor de officiële ingebruikneming konden de leden van het Zwols Architectuurpodium al een kijkje nemen in het nieuwe Zorg- en servicecentrum aan de Nijenhuislaan in Stadshagen. Vooraf heeft manager Facilities Peter Rietveld aan de 130 bezoekers uitgelegd hoe complex de eisen zijn die je aan een dergelijke voorziening moet stellen. Kleinschalig voor de bewoners maar groot in de ondersteuning en de dienstverlening. Daarna gaf Herman Rezicht van de gemeente Zwolle een stedenbouwkundig overzicht van het stadsdeel Werkeren waar het gebouw staat. Indrukwekkend was de lezing van architect Thomas Rau over zijn visie op het ontwerp. Hij wil daarin een betere kwaliteit van leven bewerkstelligen met aandacht voor de fysieke, psychologische en geestelijke mens. Tijdens de rondleiding daarna werd concreet aangewezen waar die aandacht in detail vorm heeft gekregen.

  Dinsdagavond 20 september

Een kleine greep opvallende kenmerken. Het gebouw kent twee afzonderlijke verkeersstromen, een voor de bewoners en een voor het personeel. 'Je wilt immers thuis ook niet steeds de leveranciers door je woonruimte zien langskomen', aldus Thomas Rau in zijn lezing. Kleinschaligheid is ondermeer nagestreefd door de bewoners hun eigen kamer te geven met daarnaast een huiskamer voor acht personen.
Niet de wereld is te gast bij ons, wij zijn te gast op deze wereld

De zichtbare wereld voor een patiënt op bed beperkt zich veelal tot een stuk plafond. De architect wil deze leefwereld verruimen door het bouwen van tafelvormige plateaus waarop vanuit de kamers een bed geplaatst kan worden met uitzicht op de blauwe lucht en de vogeltjes. Daaronder kunnen ouderen buiten zitten zonder direct zonlicht. Er is veel aandacht besteed aan kleuren in de vloeren en deuren zodat je daaraan precies kunt zien waar de afdelingen zich bevinden.

Het gebouw kent een therapiebad, een kapsalon, een winkel, een tafel met internetfaciliteiten en een open haard nabij de fraaie, felgroen gekleurde balie.

  De ZAP-leden mochten ook de aangebouwde kerkzaal bewonderen. De architectuur daarvan kent een horizontale zeven lagenstructuur waardoor veel daglicht binnenkomt. Door een fraaie aansluiting op het zorgcentrum kunnen bedden de kerkruimte binnengereden worden. De kerk is uiteraard ook voor leden buiten het zorgcentrum bedoeld.
Het was een leerzame avond waarin een bevlogen architect zijn visie op een leefbare, mensgerichte omgeving waarmaakte door dit vernieuwende concept voor zorgvoorzieningen op maat. Nu is het aan het management en het personeel van het Zonnehuis om deze visie in hun werk voort te zetten.

Peter Poelmann
 
 Krullen in Zwolle       

Lezing van Dirk Baalman, architectuurhistoricus


Deze lezing gaat over het denken over architectuur in de periode rond 1900 en over de architectuur zelf. Architectuurhistoricus Dirk Baalman presenteerde de lezing op 30 november 2006 in het Historisch Centrum Overijssel. Het Zwols Architectuur Podium (ZAP) vierde die avond het tienjarig bestaan van de stichting. Bij dit tweede lustrum heeft het ZAP een nieuwe wandelroute gepresenteerd, die handelt over de Art Nouveau periode in Zwolle. In een handige full color gids van 60 pagina’s zijn drie routes beschreven onder de titel “Krulllen in Zwolle". Marcel Overbeek heeft het boekje geschreven en de foto’s gemaakt. Het is (voor vijf euro) te koop bij de VVV en bij de boekhandels Waanders, Westerhof en Goedhart in Zwolle.

Denken over architectuur rond 1900: ‘karakter’


Het centrale begrip voor de architectuur rond 1900 is karakter. In de 19e eeuw werd gezegd dat het karakter van een gebouw iets te maken moet hebben met het land en de streek waar het staat, de locatie (straat, buurt), de functie (fabriek, school, rechtbank), de opdrachtgever en de tijd van ontstaan. Dit was een belangrijke notie als architecten over hun vak spraken. De Beurs van Berlage in Amsterdam, bijvoorbeeld, is gemaakt voor de handel. De opgave werd gezien als het bouwen van een tempel voor de handel. De beursgangers vonden echter dat het gebouw er uit zag als een station en niet als een tempel. Een tempel heeft een fronton, zes kolommen en zo wat maagden bovenin, die een mooi verhaal vertellen over vrede of voorspoed. Een tempel voor de handel hoort er niet uit te zien als een station met kale baksteen, hier en daar natuursteen en een ijzeren kap met glas. De beurshandelaren lieten Jos Cuypers dus Beursplein 5 bouwen met ordentelijke kolommen, enkele meiden in het fronton, een bakstenen gevel en veel natuur­stenen versieringen.

Gotiek en renaissance


Het was in dit verband volkomen duidelijk dat een rechtbank nooit gotisch kon zijn. Immers, de gotiek is de architectuur van de katho­lieken en ons rechtssysteem is niet dat van het kerkelijke recht, maar het burgerlijke recht, afkomstig van het Romeinse recht. De rechtbank ziet er zodoende uit als een Romeins gebouw: zes of acht kolommen, een fronton: klassicisme. Het (oude) rechtbank­gebouw van Zwolle aan de Blijmarkt uit 1843 illustreert dat perfect.

Als de katholieken na 1853 weer kerken mogen bouwen, weten ze precies hoe dat moet. Daarmee heeft Pierre Cuypers zijn geld verdiend: hij bouwde er bijna honderd: natuurlijk allemaal in gotische stijl want dat was de architectuur van de katholieke middeleeuwen. Toen hadden wij, zo meende men, nog een ideale samenleving waarin de arbeiders allemaal samenwerkten aan een gebouw tot glorie van God. De gotiek hoorde bij de katholieken en de renaissance hoorde bij de protestanten. Geen enkele kerk van de reformatie is een gotische kerk; de notie van een juist ‘karakter’ van de architectuur verzette zich daartegen. Er bestond een vlijmscherp beeld over het karakter van het gebouw, gerelateerd aan de functie en de plek.

Die ideeën zijn gebaseerd op een eeuwen­oude van Vitruvius afgeleide specu­latie over de betekenis van architectonische onder­delen. Al die klassieke zuilenordes vormden een voortdurende bron van speculaties over de betekenis van de ordes. De Dorische orde is de mannelijke orde (bijvoorbeeld een pompgebouw voor de haven van de marine in Den Helder), de Ionische orde staat voor ‘maagden’ (bijvoorbeeld dus geschikt voor Mariakerken) en de Korinthische orde zijn de volwassen vrouwen. Die orde is geschikt voor de belangrijkste gebouwen of onderdelen daarvan.

Het wordt interessant als Cuypers als katho­liek architect de opdracht krijgt om de tempel voor de vaderlandse kunst te maken: een Rijksmuseum in Amsterdam (1883). De belangrijkste vaderlandse kunst in de ogen van de 19e-eeuwers was natuurlijk de Gouden Eeuw. Dat is de eeuw van de reformatie, de eeuw van ná de katholieken, waarin de hervormde kerk de staatskerk in Nederland is met de renaissance als eigen stijl. Een katholieke architect (Cuypers) kreeg hier van een katholieke opdrachtgever (Victor de Stuers) de opdracht een tempel voor de kunsten te bouwen. Het kan niet anders worden dan een mengsel van gotiek en renaissance. Zo ziet het Rijksmuseum er dus ook uit. De plattegrond komt van het stadhuis op de Dam; twee binnenhoven en in het midden een front. In de gevel een oude stadspoort met een paar doorgangen, topgeveltje, torens links en rechts. Allerlei gotische elementen zoals de beelden aan de geveltop (‘arbeid’ en ‘bezieling’). Maar ook renaissance elementen zoals pilasters en rondboogvensters, met ronde ramen.


De opgave die de staat stelt, zeventiende-eeuwse kunst in renaissance architectuur en het stiekeme eigen gedrag van de opdrachtgever en de katholieke architect, zorgden voor dat mengsel. De Koning weigerde dan ook naar binnen te gaan want hij vond het een ‘paaps bolwerk’.

Zo waren de 19e-eeuwers voortdurend bezig met de vraag: “wat moet het karakter van mijn gebouw zijn?” en “hoe breng ik de functie van het gebouw tot uitdrukking?” Hier laat ik een sigarettenfabriek in Dresden zien; u begrijpt dat de tabak uit het Midden-Oosten komt (in werkelijkheid kwam die al lang uit Virginia).

Ook in fabrieksbouw zit een helder idee over hoe een fabriek eruit moet zien. Daar ging je niet versieren. De versiering van de fabriek komt uit het gebruikte materiaal: baksteen. Dat vond men heel rationeel.

Rond 1900: de tijd


De volgende vraag is hoe keek men rond 1900 aan tegen de eigen tijd? Wat is eigenlijk het karakter van deze tijd? Voor sommigen was het de tijd van de stoom en de stoommachine. Voor anderen was het de tijd van de telefoon, de radio en het elektrische licht. Iedereen had wel zijn eigen definitie en trok daaruit zijn conclusie hoe de architectuur eruit moest zien.

Er waren ook allerlei interessante nieuwig­heden die we nu heel vanzelfsprekend vinden, maar die toen opkwamen. Nieuwig­heden die de behoefte aan reclame voor zichzelf opriepen. Een belangrijke partij daarbij waren bijvoorbeeld de levensverzekeringen. Dat fenomeen was uit Zwitserland overgekomen. Kantoren en reclames van verzeke­rings­maatschappijen bepaalden sterk het beeld in tijdschriften en kranten. Om hun moderniteit te laten zien, gebruikten ze vaak decoraties in Art Nouveau-stijl.

Daarnaast was het bouwen voor de industrie in opkomst, in Amsterdam maar ook in Overijssel, vooral in Twente. Meestal gebeur­de dat buiten de stad, zoals blekerijen bij de beken in Boekelo.

Middenklasse, de HBS


Belangrijk voor de Art Nouveau is de opkomst van een middenklasse die geld heeft om uit te geven. In de tweede helft van de negentiende eeuw kreeg deze groep steeds meer maat­schap­pelijke betekenis. In 1863 werd de Wet op het Middelbaar Onderwijs aangenomen, waarbij de Hogere Burger­school werd ingesteld. Tot dan was er helemaal geen school voor hogere burgers. Die moesten naar het gymnasium, (toen universitair niveau) of naar de ambachtschool, waar ze een vak leerden. Maar daartussen, iets uit een boek leren zoals natuurkunde, scheikunde en talen, dat was er niet. 1863 was dus een ongelooflijk belangrijk moment, waarop de ‘hogere burger’ erkenning kreeg als een afzonderlijke klasse en een maatschappelijke groep. Deze groep werd steeds belangrijker en aan het einde van de negentiende eeuw is het de groep die als belangrijke opdracht­gever voor allerlei uitingen van Art Nouveau optreedt.

Intussen bleef er een belangrijke stroming van traditionele architectuur waarvoor mensen met geld als opdrachtgever bleven functioneren. Bijvoorbeeld de oude adel die doorging met bouwen, maar ook de nieuwe rijken, de textielbaronnen in Twente bijvoorbeeld, die vaak hun toevlucht namen tot oude architectuur met fronton en zuilen of een mengsel van een classicistisch blok met daarop een grachten­pandgevel. Als het ware een villa met een halsgevel van de 17de eeuwse gracht.

Geometrie


We hebben nu gezien dat er een idee bestond hoe architectuur eruit moest zien en we hebben enkele aspecten gezien die de periode rond 1900 kenmerken. We kijken nu naar de groep architecten, die de nieuwe opdrachtgevers bediende. Om te beginnen een kijkje op hun opleiding. De groep werd op school (de Polytechnische School, later TH in Delft) opgeleid door twee belangrijke profes­soren: Henri Evers (architect van het stadhuis van Rotterdam) gaf het vak ‘schone bouw­kunst’ en Klinkhamer gaf utiliteitsbouw. Op foto’s van hun teken- en leslokalen kun je zien dat ze zich oriënteerden op voorbeelden uit Italië. Er was veel aandacht voor de orden, maar ook voor constructies van baksteen, zoals gotische gewelven.

De architecten gingen ook op zoek naar wat de essentie van de tijd was en hoe je die in architectonische vormen kon vatten. Behalve de discussie over karakter ging het gesprek over de vraag of architectuur iets meer moet zijn dan alleen de weergave van materiële functies of van de opdrachtgever. Of die architectuur ook iets moest uitdrukken van de wetten van de kosmos. Veel architecten hadden het idee dat dat moest. Die gingen deze wetten van de kosmos onderzoeken en concludeerden dat die te vinden waren in de geometrie. Een mooie oude, Platoonse traditie. Gebouwen en ook meubels worden dan geordend volgens de wetten van de geometrie, dan passen ze in de kosmos en zijn ze goed. Een stoel ontwerpen betekent dus proportioneren met bijvoorbeeld een stelsel van vierkanten en ingeschreven cirkels (verhoudingen van wortel vier). Hij past dan in de geometrische orde en de wetten van de kosmos en geldt als een harmonisch vorm­gegeven stoel.

Het combineren van die zaken leidt tot enkele belangrijke aspecten van de Art Nouveau.

Art Nouveau


Bij de Art Nouveau gaat het om drie begrippen die door elkaar worden gebruikt. Art Nouveau is de Franse term waarbij het woord ‘nouveau’ niet zonder betekenis is.



Jugendstil is de Duitse term, ontleend aan het tijdschrift Jugend dat de nieuwe kunst in de Duitse taal propageert.

‘Nieuwe Kunst’ is het begrip dat in het Neder­lands wordt gehanteerd. Als er nieuwe kunst is, is er ook oude kunst.

De Art Nouveau stroming zette zich af tegen de oude kunst: de traditionele Hollandse renaissance bijvoorbeeld. Bij deze oude kunst hoort de decoratie met klassieke pilasters met kapitelen, tafels met bolpoten, geo­me­trische cassetteplafonds, gotische letters enzovoort.

Met de Nieuwe Kunst of Art Nouveau kon je je als vernieuwend profileren. Ook internationaal zie je de kenmerken van Art Nouveau: veel aandacht voor het ambachtelijke detail, de aanwezigheid van geslepen glas. Art Nouveau was nieuw in die zin dat men zich, ermee associërend, kon profileren als modern. Voor de levensverzekeringsmaatschappijen of voor nieuwe producten was dit van belang. De Gist- en Spiritusfabrieken in Delft bijvoorbeeld. (Hier kwam de naam ‘slaoliestijl’ vandaan: iedereen kon deze affiches van Toorop voor Calvé tegenkomen).

Op dezelfde Polytechnische School in Delft waren twee docenten actief die geen architectuur maar tekenkunst en driedimen­sionale vormgeving doceerden. Zij waren van groot belang voor de verspreiding van Art Nouveau in Nederland. Wie een diploma MO Tekenen wilde behalen, moest bij een van deze twee docenten examen doen. De meesten leerden lessen tekenen in Delft bij A.F. Gips en T.K.L. Sluyterman (interieur). Ook hier veel aandacht voor het ambacht van de vormgeving zoals de grafische vormgeving. Daar was ook een tijdschrift voor: Tijdschrift van de Versieringskunst met een logo naar ontwerp van architect K.P.C. de Bazel.

Een ander aspect van die versieringskunst vind je bij het ambacht van letters en versieringen maken. Hiervoor heeft Klaas van Leeuwen, leraar tekenen, veel boekjes gemaakt, versierd met zijn eigen decoratie.



Versieringskunst zat ook in de wereld van de architecten zoals in het logo van het bouwkundige weekblad ontworpen door K.P.C. de Bazel en in het tijdschrift De Architect.

Gebouwen


Voorbeelden van Art Nouveau elementen zijn te vinden in gebouwen, interieuronderdelen en geveltableaus. In Nederland zijn we niet rijk gezegend met grote Art Nouveau-gebouwen. De architect Bosboom heeft voor een smid aan de Denneweg in Den Haag in 1898 een van de aardigste, een echte ijzeren pui gemaakt. Een geweldige reclame voor de smid met dat grote glasoppervlak. Het interessante van dit glas was dat het in de jaren negentig door gieten werd vervaardigd en niet meer door draaien. Grote glasop­per­vlakken en grote kozijnen maken in ijzer werd daardoor mogelijk. Die technische voorwaar­den zijn een belangrijke stimulans geweest voor de ontwikkeling van de Art Nouveau-puien. De grote warenhuizen in Parijs, Brussel en Antwerpen zijn meer voorbeelden dan wij in Nederland hebben. In Zwolle is helaas geen groot gebouw met een Art Nouveaupui.

Het Interieur


Een tweede element waar je Art Nouveau tegenkomt, is het interieur. Ook daarvan kent Zwolle niet veel voorbeelden. Een top inte­rieur van Art Nouveau is het huis Rams Woerthe in Steenwijk. Het huis bevat glas-in-loodramen vervaardigd in het atelier van Schouten uit Delft (die lessen van Evers, Gips en Sluiterman had gehad). Voor heel Nederland zijn in dit atelier glas-in-loodramen gemaakt in de stijl van de Art Nouveau.

Een ander belangrijk element van Art Nouveau vormt het tegeltableau. Tegelfabrieken zoals Holland uit Utrecht en Rozenburg uit Den Haag konden tegels ontwerpen en in massaproductie maken. De architecten uit het hele land namen deze tegels af. Ondanks dat ze een geveltje hadden gemaakt in Hollandse Renaissancestijl, zorgden de tegels ervoor dat ze een beetje bij de tijd waren.

Echt rijke interieurs in Art Nouveaustijl zijn in Nederland schaars geworden. Als ze er zijn, worden ze direct museaal zoals het voorbeeld van Dijsselhof in het Haags Gemeente­museum. Hier zie je ook het gebruik van batiks, een techniek die in Nederlands Indië is opgedaan en die vaak gebruikt werd bij decoratieve accenten in het interieur, zoals kamerschermen.

Art Nouveau in Zwolle


In Zwolle gaat het meestal over tegeltableaus. Delfts aardewerk in tegeltableaus komt bijvoorbeeld van La Bouchère, ook een leerling van de school in Delft. Dit werk is typisch voor winkels. We kennen die portieken van een winkel, waar de etalage aan de ene kant zit en de ingang van de woning aan de andere kant met een tegeltableau waarop het soort winkel werd aangegeven. De tegel­fabriek Holland had een aantal modellen dat op grote schaal geproduceerd werd. In het Zwolse Veeralleekwartier zijn veel voor­beelden hiervan te vinden.

Er zijn drie elementen in Zwolle waar je Art Nouveau kunt terugvinden: tegels, winkelpuien en delen van de architectuur van gebouwen. Heel vaak zijn het panden die als winkel gebouwd worden. Maar nog aardiger zijn winkels die ingebroken worden in bestaande gebouwen. Op de hoek van de Grote Markt vind je zo’n pand met de deur in de hoek en een etalage aan beide kanten. In Assendorp vind je veel panden o.a. van de Zwolse architect G.G. Post (die overigens in New York een fascinerende naamgenoot had als collega had). Het gebruikte materiaal is een zeer moderne baksteen: witte verblendsteen, die zorgt voor een heel strakke, kleurige gevel. Afgewisseld met rood of geel en met natuur­stenen accenten. Een aantal winkelpuien is goed bewaard gebleven, hetzij door restauratie dan wel door de houdbaarheid. Er ligt een ijzeren latei boven zo’n decoratieve pui en die wordt op zichzelf soms versierd. In de Sassenstraat is een pand wat op de grens tussen Art Nouveau en Art Deco zit met een mooie glas-in-lood partij en gebogen glas. Een sobere hoofdlijn, pilaster en baksteen, afge­wisseld met natuurstenen decoratie. Goed kijkend naar de details zie je prachtig beeld­houwwerk. Een van de weinige plekken waar je in Zwolle een eiken pui vindt is hier.



Hier, aan de ingang van de Luttekestraat een voorbeeld van een ijzeren pui met een gepre­fabriceerde kolom met bouten en klinknagels.

Bij de huizen in het Veeralleekwartier zie je hoe subtiel het verschil kan zijn tussen Art Nouveau en de oude Hollandse Renaissance. Je ziet dat in de gevel nissen of spaarvelden zijn gemaakt, waarin tegeltableaus zijn geplaatst. Soms is hele gevel in Hollandse Renaissance vorm gegeven, maar is er zo’n tegeltableau of een voordeur in Art Nouveau om daarmee de moderniteit aan te geven. De tegeltableaus zijn licht gekleurd en ze zijn te vinden daar waar architectonisch geen belangrijke elementen zitten: bijvoorbeeld in een nis, boven een venster of onder een rondboog. Niet op plekken waar het gebouw gedragen wordt.

Kijken naar Art Nouveau is letten op kleinigheden: onderpuien, details, tegeltableaus of prachtig timmerwerk. Dan is er ook in Zwolle veel aan krullen te zien.

Zwolle, december 2006

Peter Poelmann, verslag

 
Copyright (c) 2010 Zwols Architectuur Podium - Zwolle